Het verhaal van Louis Lambert

In 1957 werd Antwerp voorlopig voor het laatst kampioen in eerste klasse. Louis Lambert was er toen als speler bij en woont nu nog steeds in de schaduw van de Bosuil. Als gevolg van die titel mocht Antwerp voor Europacup I de wei in tegen het grote Real Madrid. Louis neemt ons mee terug naar die memorabele confrontatie meer dan zestig jaar geleden.
“We hadden geluk dat we trokken tegen Real Madrid. De mensen zegden: "Amai, tegen Madrid, ge gaat eruit liggen, hé."
Maar ik lag er liever uit in de eerste ronde tegen Madrid, dan dat we tegen Lille, Breda of Feyenoord moesten spelen. Hoeveel zijn er die kunnen zeggen dat ze tegen Real Madrid hebben gespeeld? Dat was fantàstisch. Zijt ge daar al geweest, in het Bernabeustadion? Dat is ongelofelijk, als je daar binnenkomt... Dat zijn drie tribunes boven elkaar, allemaal tot tegen het plein. Als wij er speelden, zat er 88.000 man. De Fik (Vic Mees) zei: "Louis, wat is dat hier?" Die mannen hadden al vijf jaar geen enkele thuismatch verloren. Ik zei: "We gaan hier een patat krijgen. Mijn knieën bibberen al." Dat hadden we nog nooit meegemaakt. Dat volk. En dat stadion. Daags voordien mochten we er gaan trainen. Ze gaven ons een rondleiding. Die cabine was twintig meter lang en vijftien meter breed, met vijftien douches en twee massagetafels!”
“Ik denk dat we een kwartier bezig waren en we stonden al 4-0 achter (uiteindelijk werd het 6-0). Ik stond tegen Gento en zei tegen Vic Mees: "Fik, ik heb die nog niet gezien. Elke keer is dat van ‘fwiet’ (blaast en imiteert een snelle loper), hij is weeral voorbij." Dat had geen naam. Ik had enkel gevoeld dat hij naast mij stond. Ge zult dat zo niet meer weten, maar dat was de tijd van Zàrraga, Domìnguez, Di Stefano en Gento. Amai, amai, dat was een straffe ploeg."
“In de gazet schreven ze dat ze compassie hadden met Louis Lambert omdat ik tegen de snelste linkerflank van Europa speelde. Maar in de heenmatch thuis was ik sneller dan hij. Ik denk dat ze toen iets in mijn koffie hadden gedaan. Ik kreeg de 'kleine Oscar' in de krant. We speelden toen ongelofelijk goed. We verloren maar met 1-2 en we hadden zelfs 2-2 kunnen spelen. Louis Verbruggen was alleen door, had alleen nog Santamaria voor zich en lobde de bal over hem. Plots sloeg hij er met zijn hand naar, anders hadden we kans op 2-2. Maar ginder was het dus wat anders, hoor, amai.”
“Nu besef ik pas wat ik allemaal heb gerealiseerd. Die matchen tegen Real Madrid, de titel, de beker,… toen leek dat niet zo speciaal. Maar wij speelden wel een Europacupmatch tegen Real op de Bosuil voor 60.000 man. Stadionverlichting was er toen niet dus speelden we op een woensdagnamiddag om drie uur. De hele stad lag plat. Ford en Opel sloten gewoon hun fabriek. Mijn zoon zegt soms nog: “Pa, gij weet niet hoe goed gij vroeger wel kon sjotten.”