Leo De Laet

Leo De Laet (1929-2007) was, net zoals zijn hele gezin, altijd heel actief en graag gezien in het culturele leven van Deurne. Maar wat niet veel mensen in zijn omgeving wisten, was dat Leo als kind op het nippertje ontsnapt was aan een inslag van een V1. Enkele jaren voor zijn overlijden schreef hij zelf zijn verhaal op.

Ik gooi de tuindeur achter mij dicht en kruip onder tafel

Dinsdag, 28 februari 1945. Ik ben alleen in ons huis aan de Meeuwenhoflei. Mijn vader rijdt voor een Amerikaans hoofdkwartier ergens in de haven. Mijn moeder is tijdens een razzia van de Gestapo opgepakt en naar Duitsland afgevoerd. Oom Rafael, moeders jongste broer, vrijgezel en bij ons inwonend, is gaan werken. Mijn grootmoeder, die ook bij ons inwoont, is haar pensioen gaan ontvangen.


Rond 10 uur hoor ik het geronk van een naderende V1. Ik ren de tuin in om te kijken uit welke richting hij komt. Ik zie hem aan de kant van het Lakborszwembad, hoog boven de bomen van het Meeuwenhof. Plots neemt het wapen een duikvlucht, hoewel de motor niet is stilgevallen – dat is vreemd. De kop van de bom wijst recht naar mij. Ik storm naar binnen, gooi de tuindeur achter mij dicht en kruip onder tafel. Zo hebben wij het geleerd: bij een bombardement dekking zoeken onder een trap of een tafel en je zo klein mogelijk maken.

Ik proef en ruik puin

De naderende bom maakt een angstwekkend geloei. Ik zie de keukenkachel daveren op zijn voetstuk. Ik stop mijn oren dicht. Als de bom inslaat, hoor ik geen ontploffing, geen knal. Alles is plots stil en donker. Ik proef en ruik puin, vergruisde baksteen en cement, stof en verpulverd hout. Ik denk dat ik onder het puin bedolven ben – ze zullen me moeten redden. Net als ik mijn zakdoek voor mijn mond wil binden om te kunnen ademen, zie ik daglicht. Als mist die optrekt. Een opening! Ik moet langs daar naar buiten.


Over grote brokken metselwerk kruip ik naar buiten. Er staat niets meer recht. De achtergevels van de huizen zijn tot in de helft weg, alsof een reusachtig mes ze met één houw heeft weggesneden, schuin naar de voorgevel toe. Alles ligt open. Je kan overal binnenkijken. Ik sta nu buiten, waar tot voor een paar minuten ons koertje was en daarachter de tuin. Maar de tuin is weg, de hofmuren en tuinhuisjes uit betonplaat zijn in één grote, dikke laag puin veranderd. Rechts van mij, enkele huizen verder, ligt een grote krater. Door de drukkende stilte hoor ik iemand hulp roepen. Links van mij hoor ik stemmen. Ik klim over het puin en ga nummer 62 binnen. Buurvrouw Anna staat met haar kleindochter op de arm. Het bloed loopt over het gezichtje. Ik vraag Anna waar haar propere handdoeken liggen. Ik vind ze in een verhakkelde kast. Als we het bloed met de handdoeken proberen te stelpen, komen de bovenburen de trap af.


In de huizen van de Meeuwenhoflei ligt het gelijkvloers ongeveer twee meter onder het straatniveau. Wie beneden woont, heeft dus een kelderkeuken. De buren brengen ons naar buiten. De huizen hebben geen deuren of ramen meer. Al het houtwerk is weggevlogen en ligt in stukken tot in de voortuintjes van de overkant. Iemand legt een hand op mijn schouder en zegt: ‘Je bent gekwetst. Ga naar de school van de Gryspeerstraat, daar is een Rode Kruispost.’ Onderweg zie ik dat de mensen naar mij kijken. Pas dan besef ik hoe ik er bij loop: gescheurde kleren, op pantoffels, volledig grijs van het stof. Ik heb een wonde aan mijn pols en een stuk van mijn rechter oor is afgescheurd.

Pas dan besef ik hoe ik er bij loop...

Aan de school leunt een Amerikaanse schildwacht tegen de muur. Hij gebaart met zijn hand naar het einde van de galerij op de speelplaats. Daar zit een dokter, zijn jas nog aan en hoed nog op. Is dat dokter Prové? Die woont alleszins achter de hoek op de Ten Eekhovelei. Hij wast mijn wonden, plaatst nietjes in mijn oor en pols, maakt een mitella voor mijn arm en ik kan terug.

Dokterswoning Prové op de Ten Eekhovelei

Nog nooit heb ik mijn vader zien huilen

De Meeuwenhofstraat is ondertussen door de politie afgezet. Vrijwilligers graven naar slachtoffers. Aan ons huis staat een tante die om de hoek woont. Ze komt naar me toe en geeft me een bruin flesje: ‘Drink maar op, het is cognac, het zal je goed doen.’ De drank geeft inderdaad een warm gevoel. ‘Kom vanmiddag bij ons eten,’ zegt ze nog, draait zich om en gaat naar huis.

Ik probeer wat spullen te redden die overal verspreid liggen: kleding, schoenen, huisgerief. Van wat in mijn kamer stond, is niets meer bruikbaar. Het slijk van de bomkrater is blijkbaar tot op de eerste verdieping gevlogen. Om half zeven komt oom Rafael thuis van het werk. Hij is helemaal van slag, zoekt een valiesje en stopt er nog bruikbare kleren in. Hij zegt me dat hij naar zijn zuster, mijn tante Anna, in de Van Weselestraat gaat.


Een half uur later staat mijn vader thuis. Hij heeft niets gehoord van de inslag. Mijn vader is een sterke en handige man. Hij heeft zelf veel verbouwd aan het huis dat nu volledig in puin ligt. Hij komt naar me toe, drukt mij tegen zich aan en laat zijn tranen de vrije loop. Nog nooit heb ik mijn vader zien huilen. Maar snel herpakt hij zich en gaat op zoek naar een telefoon die nog werkt om wat rond te bellen en praktische dingen af te spreken.


Als hij terugkomt, is alles geregeld. Wij kunnen bij vrienden gaan slapen die een wasserij hebben in de Korte Zavelstraat. Hij heeft een paar dagen verlof gekregen en mag zolang de auto van het werk gebruiken. Grootmoeder kan bij haar dochter terecht.

Op een avond krijgen we telefoon

De volgende dag stuurt mijn vader mij terug naar ons geteisterde huis. Hij zal dat voortaan wekelijks doen, om een oogje in het zeil te houden. Als ik in de Meeuwenhoflei kom, slaat de schrik mij om het hart. Een onverklaarbare angst die maar langzaam zal slijten. Alles wat misschien nog bruikbaar is, hebben we naar de voorplaats van het gelijkvloers gesjouwd. Daar staat, tussen het puin en de glasscherven, nog een kleerkast die op slot kan.

Op een avond krijgen we telefoon op het adres waar we gelogeerd zijn. Mijn moeder heeft Ravensbrück overleefd en is door het Rode Kruis gerepatrieerd. Mijn ouders zijn eindelijk herenigd.

Burgemeester Flor de Boey bemiddelt, zodat ons gezin een gelijkvloers kan huren van een huis dat onder sequester staat. De besprekingen over de wederopbouw van de Meeuwenhoflei starten ook op. Vier jaar later, in 1949, kunnen we opnieuw naar ons oude adres verhuizen.

Bij de inslag van de V1 op 28 februari 1945 vallen vijf doden en 86 gekwetsten. Leo zal in 1952 huwen met Yvonne Cré en naar Deurne-Zuid verhuizen.