Het verhaal van Julia De Battist

Julia De Battist ademt de geschiedenis van Deurne. En ze vertelt graag, verhalen over de tijd van toen in de enige taal die daarbij past: sappig Antwerps. Zowel de bittere oorlogsjaren als de decennia van optimisme die erop volgden maakte ze bewust mee.

“Tijdens de oorlog woonde naast ons een joodse familie. Dat ‘jodeke’ was mijn speelkameraadje. We kregen geregeld korstjes van de vrouw van de kaaswinkel. Op een dag bleek ze die joodse familie verraden te hebben. De SS’ers gooiden hun meubels van boven op de camion. Mijn vriendje gooiden ze er gewoon bij. We hebben die mensen nooit meer teruggezien. Als kind vergeet je zoiets niet.”

“Tijdens de bevrijding zaten de Amerikanen in de Lakborslei. Mensen kregen er oude ‘frakken’ en dekens van de soldaten. Daarvan maakten ze kleren voor hun kinderen. In de ‘cabinekes’ rond het zwembad werden de krijgsgevangenen gezet. Die Duitsers werden verplicht te kijken naar films over de kampen. Er waren er bij die van hun zelve gingen. Ja, dat waren rare tijden.”

“Na de oorlog hernam stilaan het gewone leven. Zo had je de bende van Kerkeveld die het opnam tegen die van Ruggeveld. Dat was de ordinaire kant tegen de chique kant. Ging je naar de cafés van Kerkeveld, dan ging je zeker niets drinken in Ruggeveld en omgekeerd. Dat was soms vechten, hoor, die twee tegen elkaar. Ik zal toen een jaar of zestien, zeventien geweest zijn. ‘Ons vokke’, de tweede man van mijn moeder, dat was er ene van ’t Ruggeveld. Hij was een goeie mens, maar ooit kwam hij thuis nadat hij mee was gaan vechten tegen ’t Kerkeveld. Je had hier toen overal grindwegen, dat waren nog geen mooie straten als nu. Zijn gezicht hing vol grind nadat ze met een schoen op z’n gezicht hadden gestampt. Ja, dat waren harde gevechten.”

“In Deurne had je De Kimba en De Freddy. Café De Freddy, dat was op de Turnhoutsebaan over het oud gemeentehuis. Als je graag ging jiven dan moest je naar De Freddy. Dat mocht ik niet van thuis, hé. Ik had stiekem gespaard voor een ‘punaisenbroek’ zoals ze een jeans toen noemden. Die broek lag bij mijn vriendin. Ik vertrok thuis met mijn ‘sjakosjke’, ‘kouskes’ en schoon kleedje. En bij mijn vriendin deed ik mijn jeansbroek aan. En ‘basketbalsloefen’, anders kon je niet jiven. En dan gaan dansen bij De Freddy.”